Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


IX.

De gasten vonden niet dat het verblijf vonden niet dat het verblijf van boschmeisje de gezelligheid op het kasteel verhoogde.
De gravin, die eerst alleen voor hen scheen te leven en onophoudelijk bedacht was op allerlei verrassingen en nieuwe pretjes om hun het verblijf daar zoo aangenaam mogelijk te maken, liet hen thans dikwijls het gezelschap der lieve gastvrouw

[60:]

missen - want haar geest was geheel en al vervuld door de zorg over haar nieuwe pleegdochter.
Natuurlijk gingen de jachten en diners hun gang, ook werd er des avonds nog muziek gemaakt en gedanst, maar het eigenlijke vuur ontbrak.
De beminnelijke gastvrouw was er niet meer in; zij verscheen wel in de feestzalen en nam haar plichten waar, doch verstrooid, onverschillig, zonder de gulle vroolijkheid en vriendelijke gratie der eerste dagen.
De graaf deed zijn best voorkomend en hartelijk voor twee te zijn, maar hij kon niet beletten dat de gezellige geest bij den dag meer en meer verdween en de logés het gevoel kregen, dat zij hier eigenlijk te veel waren en verstandig zouden doen maar zoo spoedig mogelijk te vertrekken.
Had men nu maar wat meer mogen zien en hooren van het geheimzinnige meisje, de oorzaak van de veranderde stemming op het kasteel! Maar helaas! Ook dit genoegen werd hun ontzegd; de gravin en haar broer antwoordden op alle belangstellende of nieuwsgierige vragen met een ontwijkend gebaar of een paar niet veel zeggende woorden.
Men merkte echter genoeg, dat de gravin, haar broer, de dokter en soms ook Simone drukke gesprekken met elkander hielden en dat zij vol waren over de onzichtbare, zoo belangwekkende gast.
Het meisje bleef nog altijd in denzelfden toestand, nu eens kalm, bijna opgeruimd en dan weer woest, opgewonden, naar haar vrijheid snakkend, maar

[61:]

duidelijk was het dat de tegenwoordigheid der gravin op haar een kalmeerenden invloed had.
Zij scheen te voelen. dat zij haar beschermster was en het goede met haar voorhad. Als zij binnenkwam, begon zij dikwijls vroolijk te zingen en sprong in de hoogte. hetgeen een bewijs van blijdschap scheen te beduiden.
Soms nam zij haar hand en trok haar mee naar het venster en wees haar den tuin, de boomen, de blauwe lucht en uitte dan allerlei onsamenhangende klanken die moesten beteekenen - zooals de gravin dacht - dat zij om haar vrijheid smeekte.
"Spoedig, spoedig!" zeide de gravin en streelde haar over het hoofd, eene liefkoozing die haar aangenaam was en misschien herinneringen ver uit haar jeugd scheen wakker te roepen aan eene liefdevolle moeder, die zij, niemand zou misschien ooit weten hoe, verloren had.
Na eenige aldus doorgebrachte weken kon men eene groote verandering in het boschmeisje zien.
Zij was zeer opgebleekt. haar verbrande tint bijna geheel geweken. maar ook het frissche, kerngezonde van haar uitzicht was nagenoeg geheel verdwenen.
Haar wangen en lippen hadden hun mooie roode kleur verloren; zij zag er bleek en zwak uit; haar booze buien hadden geheel opgehouden, zij liet met zich doen, wat men wilde.
Zij scheen mat en zwak, bloedarmoede tastte haar aan en sloopte haar krachten. Alles scheen haar onverschillig te worden, uren lang lag zij ineengedoken op het tapijt; de groote oogen met

[62:]

hun koortsachtigen blik vaag door de kamer zwervend. Dikwijls scheen het haar benauwd te worden, zij vloog dan op om aan het raam een weinig meer lucht in te ademen.
Een enkelen keer, als zij een vogeltje zag, dat op de vensterbank vloog, of een eekhoorntje dat vlug in een der boomen schoot, kwam er vuur in haar oogen en zij liet een roep van voldoening en blijde verrassing hooren, die echter weldra wegstierf in een snik en soms in droevige huilbuien overging.
De gravin beproefde haar de beteekenis van sommige woorden te leeren, maar zij scheen er nog geen behoefte aan te gevoelen, zich met haar gelijken te onderhouden.
Eens beproefde Simone, een vogeltje aan de jonge gevangene tot speelgoed te geven. Dit maakte haar de eerste oogenblikken bijna dol van vreugde, het gekortwiekte diertje werd door haar vertroeteld en gestreeld, maar het duurde niet lang of men vond het met afgescheurden kop in een hoek liggen en bij nader onderzoek bleek het zelfs bloedloos te zijn.
Het boschmeisje had blijkbaar het bloed van het arme dier opgezogen.
De gasten begonnen eindelijk te vertrekken, tot groote blijdschap van de gravin, die begreep, dat een langere gevangenschap gevaarlijk voor de gezondheid van haar beschermelinge zou worden.
Raoul was naar Versailles vertrokken met zijn zwager en zoo waren de gravin Diane met Simone weldra met het talrijke dienstpersoneel de eenige bewoonsters op het kasteel.

[63:]

Met ongeduld had mevrouw d'Armentières dit oogenblik afgewacht om aan het arme schepsel haar vrijheid in beperkte mate terug te geven.
Het was hoog tijd, zij at zoo goed als niets meer, lag den geheelen dag en nacht onbewegelijk in haar hoekje en scheen in niets meer belang te stellen.
Op zekeren morgen dan gaf Diane aan al haar bedienden bevel, zich in het park te verstrooien en zooveel mogelijk achter de boomen en in de boschages verborgen te blijven.
Zij ging naar de kamer der wilde, wees haar naar buiten en nam haar bij de hand, terwijl zij de deur wijd opende. Het loopen scheen het kind moeilijk te vallen, maar de arm der gravin steunde haar en duidelijk voelde zij, hoe haar magere leden trilden.
Zij gingen langzaam voort, door de gangen die naar de groote trap voerden. Eensklaps gaf het meisje een gil van schrik en mevrouw d'Armentières begreep eerst niet, wat haar zoo ontstelde. Toen begon zij te lachen en allerlei gebaren te maken.
Zij had haar eigen beeld in een grooten spiegel, die de gang versierde, herkend. Blijde strekte zij de armen uit en danste en jubelde van pret; vroeger had zij haar beeltenis zeker wel in het water der beken en bergstroomen gezien en nu zij zich zelf terug zag, was het of een oude bekende haar begroette.
Die vreugde duurde echter niet lang, de zwakte scheen haar weder te overheerschen en als uitgeput rustte zij op den arm van de goedige gravin, die een oogenblik met haar op een bank ging rusten.

[64:]

Na eenige minuten wilde zij met haar de trap afgaan, maar het kind rilde hiervan terug; men kon het haar niet duidelijk maken dat zij tree voor tree af moest dalen.
De gravin keek rond en was op het punt een harer lakeien te roepen met bevel haar de trap af te dragen - toen eensklaps Simone voor haar verscheen. Het jonge meisje had, achter een gordijn verscholen, het geheele tooneel bijgewoond; nu kon zij zich niet langer bedwingen en snelde toe.
Het boschmeisje zag haar eerst verbaasd maar zonder eenig wantrouwen aan, - ondanks haar volledig damestoilet scheen zij toch in haar een gelijke in jaren te herkennen en liet gewillig toe, dat Simone haar tante hielp haar omhoog te tillen en op beider armen, waarvan zij een soort van brug maakten, de trap af te dragen.
Beneden in den tuin gekomen, zetten zij haar op een steenen bank neer en verwijderden zich een eind.
De verandering in het gelaat van het jonge meisje, toen zij zich omgeven voelde van de frissche herfstlucht, die haar wangen en hoofd streelde, was merkwaardig. Eerst scheen zij niet te begrijpen waar zij was, droomerig keek zij rond, toen slaakte zij een kreet van dolle vreugde, sprong snel op, liep volgens haar oude, bijna zwevende manier naar een perk herfstrozen en plukte er zoovele als zij in haar handen kon houden.
Zij drukte ze tegen haar gezicht en stak ze toen in haar kleederen, tuschen haar sjerp. Er kwam

[65:]

een flauwe blos op haar wangen en meer glans in haar oogen; nu en dan keek zij schuw rond, maar de gravin en Simone waren verdwenen en zij zag zich nu weer geheel alleen te midden der natuur.
Zij sprong als een jong geitje dartelend rond, en toen zij op den grond opzettelijk daar neergelegde wortels en appelen zag, greep zij er gretig naar en at ze met smaak.
Een nieuw leven scheen haar te doorstroomen; diep haalde zij adem, rekte haar armen uit en zocht instinctmatig naar het knuppeltje, dat zij vroeger ter zijde droeg.
Dat zij het niet vond, verstoorde haar geluk niet; zij holde maar altijd door, allerlei geluiden slakende, soms wierp zij zich op het gras en rolde zich eenige malen er over heen.
Plots bleef zij onbewegelijk geknield zitten; de gravin en Simone, die zich achter struiken hadden verscholen, bleven vol afwachting haar bewegingen volgen. Haar rustige houding duurde eenige minuten, toen rees zij onverwacht op en liet het akelige keelgeluid hooren, dat bij haar een jachtkreet scheen te beteekenen.
Nu begrepen zij wat zij in den zin had. Een hertje lag onder de schaduw van een berberissenstruik rustig te slapen. Zij had het opgemerkt en bleef stil loeren, totdat zij het oogenblik gunstig achtte. Nu wierp zij zich op haar prooi, maar het vlugge dier was haar vóór, met zijn ranke pootjes snel weg. Zij joeg het achterna, over

[67:]

bloembedden en grasperken vliegend, alles vertrappend, wat haar in den weg kwam. Men had haar nog geen schoenen kunnen aantrekken, zij scheen ze ook niet te missen - totdat zij eindelijk met een juichkreet het beestje inhaalde en in haar armen sloot. Opnieuw begon zij door schelle, woeste kreten aan haar blijdschap lucht te geven; zij tilde het hertje hoog op en nog vóór dat de gravin en Simone er op verdacht waren, had zij het geworgd en den kop van den hals gesleurd.
"O, hoe vreeselijk! Dat arme diertje!" riep Simone, zij snelde naar het meisje toe en rukte het haar uit de handen. Zij knielde naast het hert in het gras neer, liefkoosde het doode beestje en begon bitter te schreien.
Het boschmeisje stond haar bewegingloos aan te kijken en op haar gezicht kwam eene uitdrukking van spijt. Zij knielde voor Simone neer en streelde ook het doode diertje; zij liet allerlei vreemdegeluiden hooren en scheen iets te willen zeggen - plotseling vloog zij weg en verdween onder het geboomte.
Diane en Simone legden het hertje op het gras neer en keken rond of zij ook iets van het meisje zagen; maar terwijl zij nog rondspeurden, verscheen zij plotseling uit eene andere richting, juichtonen en trillers uitgalmend, hetgeen de hoogste vreugde bij haar uitdrukken moest.
In haar hand hield zij een eekhoorntje, dat zij aan Simone bracht, terwijl haar oogen schitterden en zij allerlei gebaren maakte, die blijdschap en tevredenlieid verrieden.

[67:]

"Zij wil het bij je goedmaken", zeide Diane tot haar nichtje, "vergeef het haar maar."
Simone trok het boschmeisje naar zich toe en kuste haar op het voorhoofd, terwijl zij het eekhoorntje in ontvangst nam.
Blijde snelde zij nu weg, liep dieren na zonder hen kwaad te doen en wierp zich, vóór dat iemand er op verdacht was, in den vijver, gekleed en wel. Zij zwom er langen tijd in rond, soms eens onder duikelend en met de visschen spelend, die zij met de handen ving.
Toen zij weer op den oever was teruggekeerd, scheen zij geheel in haar element, alles aan haar trilde van genot, - al haar doorgestaan leed scheen vergeten, haar zwakheid verdwenen.
De dames wilden haar weer naar binnen brengen, maar zij ontsnapte hun en in een oogwenk was zij naar een dikken boom geloopen, omvatte dien met beide armen en slingerde zich op een der laagste takken, toen hooger en hooger, totdat zij boven in de kruin aanlandde, waar zij haar gewonen juichkreet liet hooren en op de dames uitdagend neerzag.
Wanhopend zagen mevrouw d'Armentières en Simone haar pleegkind aan. Wat zou zij nu beginnen?
Zij konden haar natuurlijk niet uit den boom halen, en daar deze boom zich in de nabijheid van andere bevond, was er alle kans dat zij beproeven zou op die wijze te ontvluchten. Zij riepen en riepen - maar zij lachte haar uit en sprong in een anderen boom, toen weer in een andere,

[68:]

vliegensvlug, zoodat Diane en Simone werk hadden, haar over den grond loopend te volgen.
In een hoogen beuk gekomen, bleef zij onbewegelijk zitten en keek door het reeds schaarsche en bruinachtig gekleurde gebladerte naar beneden. Zij zag de beide vrouwen angstig en bedroefd onder den boom staan en de handen uitstrekken naar boven, in een gebaar van smeeking.
Zij klapte in de handen van vreugde en braveerde hen opnieuw door haar vogeltriliers; zij was hun ontsnapt, dat moesten zij zich vol verdriet bekennen.
Binnen weinige oogenblikken zou zij buiten het park zijn, in het vrije, wilde woud, waar men met geen mogelijkheid haar weder in handen zou kunnen krijgen.
"Alles vergeefs!" zuchtte de gravin. "Wat zal Raoul zeggen!"
Toen kwam Simone op een inval; zij herinnerde zich hoe haar tranen en haar droefheid zoo even indruk gemaakt hadden op het boschkind. Zij liet zich nu op den grond neervallen, veinsde luid te schreien en stak haar handen jammerend naar boven.
"Kom, lieveling, kom! Wees zoo onverstandig niet," bad zij, "lieve zuster, wij willen u geen kwaad doen! Wij willen u alles geven, wat wij zelf bezitten, wij willen u leeren, een braaf, goed meisje te worden. Wij willen u leeren spreken en bidden en wij willen u mooie kleeren laten dragen. Gij zijt immers een mensch; uw plaats is niet in het bosch, bij de redelooze dieren, maar bij ons! Kom naar beneden, maak mij niet ongelukkig!"

[69:]

Het meisje bleef onbeweeglijk op haar hooge zitplaats; haar oogen waren strak op Simone gevestigd - zij zong en juichte niet meer - het was of zij moeite deed haar te verstaan, maar zij maakte geen aanstalten om den boom te verlaten.
Simone stond nu langzaam op, altijd gebaren makend van diepe droefheid en teleurstelling; zij verwijderde zich, telkens naar den boom opkijkend.
Mevrouw d'Armentières drukte ook den zakdoek tegen het gezicht om haar verdriet uit te drukken.
Het boschmeisje verloor geen van al haar bewegingen uit het oog; zij scheen niet te weten wat zij zou doen, den boom afklimmen of verder vluchten.
"Simone!" riep de gravin, "Simone! Kom hier, kind! Er is niets aan te doen! Simone!"
"Simone!"
Zoo klonk het eensklaps van boven uit den boom en het jonge meisje zoowel als de gravin en de bedienden, die toegeschoten waren op het hooren van het nieuwtje, dat het boschmeisje ontsnapt was, stonden als van den bliksem getroffen. Het was het eerste verstaanbare woord, dat zij had uitgesproken.
"Simone! Simone!" herhaalde zij telkens in verschillende toonaarden, alsof zij zich verheugde dit woord te kunnen zeggen.
"Zij heeft mijn naam het eerst genoemd," jubelde het jonge meisje; "o lieve vriendin! zusje! kom naar beneden! Je zult zien hoe goed alles zal gaan."
En zij bleef onder den boom staan, roepend,

[70:]

smeekend, haar handen uitstrekkend en telkens herhalend, op overredenden toon:
"Ik ben het, die je roept, ik, Simone!"
"Simone! Simone!"
En altijd met dit woord op de lippen, als betooverd door het geroep van haar vriendinnetje, daalde zij langzaam van tak tot tak, terwijl allen haar in ademlooze spanning volgden.
Halverwege den boom aarzelde zij. Het was of zij innerlijk strjjd voerde. Aan den eenen kant trok haar weer het woud aan met zijn vrijheid, zijn dieren, zijn hooge boomen, zijn onbegrensde ruimte en hier wachtte haar opnieuw gevangenschap.
Maar steeds dringender werd Simone's stem; zij kon aan dien invloed geen weerstand bieden; de hartelijkheid van het meisje, dat nog teerder en fijner gebouwd was dan zij, dat haar zoo lief kon streelen en liefkoozen en haar zoo aandoenlijk riep, trok haar onwederstaanbaar aan. Misschien was het wel een onbedriegelijk instinct dat haar waarschuwde hoe haar plaats hier moest zijn onder haar medemenschen en niet daarbuiten, in de wildernis - hoe het zij, na eenige oogenblikken van twijfel liet zij zich van den boom afglijden en stond op den grond.
Simone sloot haar in haar armen en bedekte haar gelaat met kussen; zij liet haar begaan en riep telkens maar weer, als trotsch op haar eigen knapheid:
"Simone! Simone!"

De jonkvrouw sloeg den arm vol liefde en harte

[71:]

lijkheid om het wilde kind en geleidde haar zonder eenige moeite naar het kasteel terug.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina