Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


VII.

Voorloopig scheen er nog weinig verandering in den toestand van het boschmeisje te komen; nadat zij de vruchten gegeten had en iets sterker geworden scheen, ging zij weer naar het raam en schudde de traliën opnieuw met groote heftigheid.
Toen zij haar machteloosheid tegenover de ijzeren staven inzag, liet zij moedeloos de armen hangen en bleef met een smartelijke uitdrukking in de oogen naar buiten zien.
Lang bleef de gevangene besluiteloos daar staan, toen kreeg zij plotseling weer een aanval van razernij, beukte met haar knods tegen de ramen,de deur der kamer, haar akeligste geluid aanheffend - toen wierp zij zich brullend op den grond, trok zich de haren uit, verwondde zich met haar vingers borst en hals, zoodat het bloed er uit gutse, en ging zoo hevig aan totdat zij eindelijk in een verdooving viel en in een hoek van de kamer gehurkt ging zitten.
Daar zat zij den volgenden morgen nog, met akelig starende oogen, half geopenden mond en de armen om haar opgetrokken knieën geslagen, een beeld van wanhoop en akelige berusting.

[48:]

Mevrouw d'Armentières en Simone, de eenige die om haar oprechte belangstelling van de gravin toestemming had verkregen naar het wilde meisje te mogen zien, kond haar onrust niet verbergen en vroegen den geneesheer om raad.
"Het kan zoo niet langer duren," zeide de gravin, "het kind wil niet eten, niet drinken, zij slaapt niet, zij zal nog eindigen met zich te laten verhongeren en hebben wij dan geen moord op ons geweten?"
"Het geval is moeielijk, mevrouw! Maar wij kunnen er weinig aan doen. De natuur moet zich zelf helpen en haar dwingen zich in haar lot te schikken en in te zien wat voor haar het beste is."
"Och dokter! mag ik bij haar komen, mag ik met haar praten, haar zeggen, wat wij met haar vóór hebben!"
"Maar kindlief," zeide gravin Diane, "zij verstaat je niet eens."
"Ik zal mij wel verstaanbaar maken. Mij dunkt ik zal woorden vinden om mij door haar te doen begrijpen en als woorden niet helpen dan zijn er toch gebaren, liefkoozingen die zeker op haar indruk moeten maken."
"Maar ben je dan niet bang, Simone?"
"Ik bang? Waarvoor?"
"Dat zij je kwaad zal doen met haar knods of met haar lange nagels!"
"Neen, zij zal mij geen kwaad doen, als zij maar begrijpt dat ik haar alleen goed wil doen."
"Wat dunkt u er van, dokter?"

[49:]

"Freule Simone is van haar grootte en haar leeftijd, misschien zal haar dit een beetje gunstiger stemmen - en haar wantrouwen overwinnen - maar wij moeten in de nabijheid blijven als er iets mocht gebeuren."
Zoo werd de deur behoedzaam geopend en Simone trad zacht en bijna onhoorbaar binnen.
Het meisje bleef onbewegelijk zitten, de oogen altijd voor zich uit starend alsof zij niets zag en hoorde; Simone gleed meer dan zij liep tot vlak bij haar en knielde toen naast haar neer.
"Zuster!" fluisterde zij haar toe, "lief zusje!"
De andere zag niet op, verroerde zich niet, haar krachten schenen uitgeput, alles was haar blijkbaar onverschillig geworden.
Siinone sloeg den arm om haar heen en streek haar de lange, wilde haren van het voorhoofd; zij liet alles toe zonder zich te verroeren.
Nu bood Simone haar vruchten aan, zij scheen ze niet te willen eten; en al bracht de freule ze aan haar lippen, ze hield deze vast aaneengesloten en raakte de vruchten niet aan.
"Heb je geen honger? Wil je niet slapen?" vroeg Simone en trok haar naar zich toe zoodat het hoofd van het zonderlinge kind tegen haar schouder viel.
Zacht begon Simone te zingen en onder dit wiegende geluid schenen haar zenuwen tot rust te komen en vielen haar oogen langzaam toe, de woeste, waanzinnige uitdrukking van haar gelaat verdween langzamerhand. Zij zuchtte diep en pijnlijk en bleef

[50:]

een poos zoo liggen tegen de altijd zachtkens voortzingende Simone.
Intusschen trad de gravin binnen; zij had een lang kleed van gekleurde stof bij zich, een spiegeltje en eenige blinkende sieraden. Simone zweeg nu even en dadelijk vloog het meisje weer wild en schuw op.
Zij zag de gravin voor zich staan, snel rukte zij zich los en ijlde naar het venster, waar zij in angstige houding bleef staan.
Simone nam nu het kleed, spreidde het uit en hield het voor zich; de zon scheen in de groote bonte figuren en gaf er een schitterende tint aan.
Het meisje vergat haar angst voor een oogenblik en staarde de stof strak aan, toen deed Simone het zich zelf over de schouders, keek in het spiegeltje en tooide zich met de sieraden.
Nu kon het boschmeisje haar blikken niet meer van haar afwenden; elk van Simone's bewegingen volgde zij trouw, zij zag nu eens naar haar armzalige kleeding van konijnenvellen en dan weer naar dit prachtige gewaad.
Simone trok het uit en legde het naast de vruchten en den verfrisschenden drank, die de gravin ook had meegebracht, toen verdween zij met Diane weer achter de deur.
Een wonderlijk schouwspel trof nu hun oogen terwijl zij door het gaatje loerden.
Het boschmeisje verliet haar plaats aan het raam, keek angstig en gejaagd rond, stak eerst het hoofd, toen den eenen voet vooruit en na weer te hebben rondgekeken, waagde zij het eindelijk een

[51:]

stap te doen in de richting van al die kostbaarheden.
De eerste stap werd nog door eenige andere gevolgd, alle even behoedzaam en schuw totdat zij eindelijk vlak bij de schatten stond.
't Duurde een poosje, telkens strekte zij de hand uit en trok ze weer terug - eindelijk vatte zij moed en begon de stof met een vinger te streelen, maar dadelijk ging zij even achteruit, om daarna met meer moed de fraaie dingen op nieuw te naderen.
Zij streek langen tijd met de toppen der vingers over de zijdeachtige stof en in haar oogen flikkerde een blijde blik.
Toen keek zij rond en niet vermoedend dat zij bespied werd, nam zij het kleed in de handen en liet het in de zon schitteren.
Of zij eenig geritsel hoorde of misschien bedacht dat dit mooie gewaad voor haar, de livrei der slavernij beteekende, plots wierp zij het van zich af en ging weer in haar hoekje zitten, maar haar oogen bleven onafgewend op al het moois rusten.
Nu achtte mevrouw d'Armentières het oogenblik gekomen weer binnen te komen; tot haar groote voldoening bleef het meisje rustig zitten en maakte geen gebaren van angst bij het zien der binnentredende dame.
Eigenaardig was het, hoe haar oogen van het fraaie toilet der gravin dwaalden naar de kleederen die voor haar lagen, alsof zij begreep dat deze voor hetzelfde doel bestemd waren.
Vlak achter de gravin kwam nu de kamenier

[52:]

binnen, die een zilveren kom droeg met welriekend water. Zij nam een zachte spons en begon met de zorgen eener liefdezuster het arme meisje het gezicht af te wasschen.
Het kind trok zich wel telkens terug, maar de bewerking was toch mogelijk; toen de gravin echter de lange haren in handen nam en deze met haar vingers begon te verdeelen, voor dat zij er de kam in zou zetten, rukte zij zich met geweld los en zocht naar het knuppeltje, waarmede zij zich tegen de dieren des wouds had verdedigd.
De booze blik kwam in haar oogen terug, maar de beide vrouwen wisten haar het wapen bij tijds te ontnemen; toen sloeg zij met handen en voeten en een oogenblik scheen het te vreezen dat de anderen niet bestand zouden zijn tegen haar kracht en toorn.
Maar de gravin besloot haar door zachtheid te winnen; streelend legde zij haar de hand op het hoofd en streek heur haren glad.
Zij werd kalmer en liet nu gedwee alles met zich doen, somtijds alleen gaf zij door een woeste beweging of gil aan, dat het haar hinderde, te worden gekamd.
Alles ging tamelijk goed, totdat men aan den onwarbaren haardos kwam, laag aan haar nek; zij schreeuwde het uit van de pijn, vloog naar rechts en links, schudde het hoofd en scheen in woede te willen uitbarsten.
Toen begreep de gravin dat zij tot een snellen maatregel moest overgaan, en nog vóór dat het

[53:]

meisje er op verdacht was, had zij met een handige beweging haar de verwarde lokken afgeknipt.
Als door een tooverslag bedaarde het boschmeisje, zij zag naar de zwarte lokken die ter aarde lagen, streek toen met de vingers, waarvan men de lange nagels reeds den eersten dag had afgeknipt, door het overgebleven korte haar en begon te lachen.
Dit was de eerste lach, dien zij nog van haar hadden gezien en het viel hun op, hoe verstandig en lief dit lachje haar maakte en al het woeste, griezelige aan haar uitzicht ontnam.
"Idioot is zij tenminste niet," zeide de gravin tot zich zelf.
Zij begon haar nu van haar dierenvellen te ontdoen maar opnieuw streefde zij tegen en gaf, slechts met moeite toe dat de vrouwen haar ontkleedden en toen geheel waschten, waarna zij haar het ondergoed aantrokken - zij zag den geheelen tijd naar het lichte kleed - en toen men haar het gebloemde jurkje overgeschoten had - straalde haar gezicht van blijdschap, zij bekeek de bloemen en rook er naar - niet begrijpende hoe zij daar kwamen.
Men had de voorzorg genomen de kleederen los te laten afhangen, daar het wel te begrijpen was, dat haar aan geen dwang gewende ledematen niet de drukking van gesloten kleederen zouden verdragen.
Zij zag er nu met haar kort geknipt natuurlijk krullend haar en gewoon jurkje reeds veel tammer en menschelijker uit. De gravin nam haar teeder moederlijk in haar armen en streelde haar langs haren en wangen.

[54:]

Zij zag haar vreemd aan, zeker niet begrijpende wat zulk een liefkoozing moest beduiden.
De gravin vertrok met haar kamenier en bleef even door het kijkgaatje loeren om te zien, wat zij nu ging doen.
Een oogenblik scheen zij verzonken in stille bewondering van haar nieuwe kleeding, zij legde haar japon breed uit, liet de zon er op schijnen, en stak er telkens haar neus in. De stof was licht geparfumeerd en zij scheen dien geur met genot op te snuiven.
Toen ging zij weer naar de andere kleederen en nam ze nu onbeschroomd op, spreidde een mooie rood zijden japon uit en beproefde die als een mantel om haar schouders te slaan.
Ook de sieraden, kettingen van groote bonte koralen, ontlokten haar een kreet van blijdschap; zij deed ze om haar hals en haar polsen en de gravin bewonderde het instinct, dat aan het wilde meisje leerde hoe zij zich van deze sieraden moest bedienen.
Zoodra zij zich zoo mooi zag, ging zij naar het raam en schudde hevig aan de traliës en toen deze onwrikbaar bleven, overviel haar weer een aanval van moedeloosheid.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina