Melati van Java: Het Boschmeisje
Amsterdam: L. J. Veen, tweede dr., zr. jr. (oorspr.1903)


XV.

In het hotel d'Armentières teruggekomen, vertelde Raoul aan zijn zuster het resultaat van zijn gesprek met den geleerde,
"Ja," zeide Diane nadenkend, "dat is alles heel mooi overlegd, maar je vergeet een groote en zeer ernstige zaak."
"Je zoudt mij bang maken, Diane, wat bedoel je?"
"Haar toilet!"
Hij glimlachte.
"Nu, als het niet anders is, dan zal ik het voor haar ontwerpen en dan kan je naaister het namaken."
"Maar dan moet ik het spoedig hebben."
"Nog vandaag!"
Werkelijk bracht Raoul na eenige uren het por

[109:]

tret van het boschmeisje in het costuum, dat hij voor haar had uitgedacht.
Haar gelaat was zeer gelijkend en Simone nam het blad om het haar voor te leggen.
Nauwelijks had bet boschmeisje er een blik op geworpen of zij riep verrukt uit:
"Hé - ik - !"
En zij klopte zich blijde op de borst en danste met het portret door de kamer.
Nog dienzelfden dag werd aan het costuum begonnen en op den avond, bestemd voor de zitting van den heer de la Condamine konden mevrouw d'Armentières en Simone er haar mede tooien.
Beide dames vergaten bijna de zorg voor haar eigen toilet, zoo waren zij er van vervuld haar pleegkind mooi te maken.
Het kleed was zeer goed uitgevallen, het was gemaakt uit een soepele donkerblauwe, rijk gebloemde stof. Chineesche en japansche modellen hadden den marineofficier blijkbaar voor den geest gezweefd, toen hij het ontwierp; het hing haar los om de leden en werd alleen om het middel door een zijden, koord opgehouden.
Haar lokken, die in den laatsten tijd waren gegroeid, vielen over haar schouders en waren met bloemen versierd.
Zij stond zich met blijkbaar welgevallen in de groote spiegels te bewonderen.
Niets herinnerde meer aan het wilde kind der bosschen. Haar huid, vroeger zoo verbrand, was nu blank en rooskleurig, haar handen waren goed

[110:]

onderhouden en wel gevormd; wie kon vermoeden, dat zij eens daarmede wolven had gewurgd, hazen en konijnen verscheurd?
De graaf d'Armentières had het te druk met zijn eereposten aan het hof en zou daarom de dames niet vergezellen.
Raoul stapte dus met zijn zuster, Simone en het boschmeisje in de groote koets, die hen naar het huis van den heer de la Condamine zou brengen.
Reeds velen van diens vrienden bevonden zich in de groote zaal, die toegang gaf tot het museum; hoewel het misschien niet in de bedoeling van den grooten natuurvorscher had gelegen, vergezelden de vrouwen en dochters van deze vrienden hen bij dit interessant bezoek.
Vóór het uur waren zij tegenwoordig en verdreven zich den tijd met over het boschmeisje allerlei meeningen te uiten.
Ook waren er een paar schilders, die zich voorstelden haar beeltenis te schetsen; hoe bescheiden ook de gastheer had gebruik gemaakt van zijn recht om uitnoodigingen te doen, hij kon het niet helpen, dat zijn zalen overvuld raakten. Het hof had vernomen, dat van avond het boschmeisje bij den heer de la Condamine zou te zien zijn, of - zooals zij het uitdrukten - vertoond ging worden, en ieder wilde van de partij zijn.
Men kon voor deze hovelingen moeielijk de deur sluiten en moest hen dus ook toelaten.
Het gevolg hiervan was, dat de zaal overvuld

[111:]

van menschen uit de hoogste kringen van adel,rijkdom, wetenschap en kunst.
Het gerucht verspreidde zich, dat zelfs de hertog van Orléans de zitting zou bijwonen.
De heer de la Condamine schaamde zich wel een weinig tegenover Raoul, dat er zoovele menschen hier samen waren gekomen, maar hij kon den vloed niet stuiten.
De gesprekken waren in vollen gang, een luid gemurmel van stemmen vervulde de ruimte. De verwachtingen waren hoog gespannen, de eene had dit, de andere weer iets anders van het wonderkind gehoord, toen een knecht de breede vleugeldeuren opensloeg en aankondigde:
"Mevrouw d' Armentières!
"Jonkvrouw d'Armentières
"De markies de Soigny!
"Het Boschmeisje!"
Een trilling ging door het gezelschap, er waren zelfs dames, die het gepast vonden, een gilletje van angst te laten ontsnappen.
De heeren zetten zich op twee rijen en bogen zich eerbiedig toen Diane, Simone, Raoul en het wilde kind binnentraden.
De meesten hadden gedacht iets zeer afschuwwekkends of ten minste vreemds te zien binnenkomen.
Voor hen was een wilde zoo iets als wat zij op de kermissen hadden gezien, een koper- of bronskleurige vrouw met bonte veeren op het hoofd, dat vol zat met dik kroeshaaar, met vooruitstekende

[112:]

jukbeenderen en dikke lippen, handen die eer op klauwen leken, bloote voeten en gekleed in een kort rokje van bont katoen, versierd met schelpen en leeuwentanden of tijgerklauwen, iets om uit akeligheid zoo heerlijk van te griezelen.
In plaats daarvan zagen zij de hand gevend aan Simone, een allerliefst jong meisje, dat er in haar fantasiekleeding nog wel zoo gracieus uitzag als de ingeregen en gepoeierde dames rondom haar, een schuchter kind, dat de oogen nauwelijks durfde opheffen en de vingers van haar vriendinnetje. krampachtig drukte van ontroering, toen zij zich te midden van zulk een groot aantal menschen zag.
Een gemompel van bewondering begroette haar; de heeren zagen haar met ingenomenheid aan, de dames waren teleurgesteld, omdat zij er niet vreemder en - wilder uitzag.
De heer de la Condamine begroette zijn nieuwe gasten en sprak het verlegene meisje bemoedigend toe, maar zij antwoordde niet en bleef schuchter staan zonder op te durven zien.
Toch liet zij hem toe, haar bij de hand te geleiden tot aan zijn kabinet; hier mocht niemand dan de dames d'Armentières en Raoul haar volgen.
In de zaal scheen men wel niet erg tevreden over dezen maatregel, maar toch was men blijde het wonderkind, al was het maar voor een oogenblik; te mogen beschouwen.
Toen zij binnenkwam, keek het meisje eerst verwonderd rond.
Men liet haar stil begaan en hield zich op den

[113:]

achtergrond; zij liep naar de daar verzamelde schatten en begon vroolijk te lachen, toen zij een tros bananen zag.
Langzamerhand schitterde een vonk van blijde herinnering in haar oogen, het was, of zij van alle kanten door oude kenissen omringd werd.
De vogels vooral trokken haar aan. Zij stak er de handen naar uit en wat de heer de la Condamine zeker aan niemand zou hebben toegestaan, liet hij haar glimlachend doen.
Zij nam ze van hun takken en streelde ze, verbaasd, dat zij zoo onbewegelijk bleven.
Toen zette ze hen weer voorzichtig neer en ging naar de viervoetige dieren, die zij ook streelde en in haar eigenaardige taal toespraak. Maar haar opgewondenheid steeg ten top toen zij een paradijsvogel opmerkte.
Zij klapte in haar handen en lachte luid; toen nam zij Simone bij de hahd en vlees haar den vogel aan, die echter te hoog voor haar zat om in haar handen te nemen.
De heer de la Condamine nam goedig den vogel van zijn plaats, en zette hem op haar hand. Zij streek het dier langs de prachtige veeren en den schitterenden staart.
Toen zag zij naar den hemel en zocht blijkbaar een woord om het dier te noemen.
"Paradijsvogel!"
"Ja, ja, paradijsvogel!" riep zij in een vreemde taal.
"Dat is Duitsch!" meende Raoul.

[114:]

"Neen, neen! 't Is Hollandsch!"
"Hollandsch!"
Tot onzen spijt moeten wij bekennen, dat èn gravin d'Armentières èn Simone weinig wisten van Hollandsch. Misschien bepaalde zich haar kennis van ons land eenvoudig tot de gewone praatjes over pijpen, tulpen en zóó al meer.
"O ja, daar komen die mooie, bonte bloemen vandaan!" zeide Simone.
"Heeft daar Czaar Peter van Rusland niet het scheepbouwen geleerd!" vroeg Diane.
De heer de la Condamine en Raoul zagen elkander glimlachend aan, terwijl de dames verder haar wijsheid luchtten.
"Dat is immers een land, waar men zoo zindelijk is, dat men de hoornen afboent en kousen over de schoenen aantrekt, wanneer men de huizen binnenkomt?"
"En waar Zijne Majesteit onze groote Koning Lodewijk - veertiende van dien naam - zulke schitterende overwinningen heeft behaald - een halve eeuw geleden -".
"Die mijnheer Boileau in zijn Epitres heeft vereeuwigd, hoewel de namen zoo barbaarsch en moeilijk uit te spreken zijn."
"Is Holland hetzelfde als Vlaanderen, waar onze troepen bijna altijd oorlog voeren?"
Ondertusschen hadden de heer de la Condamine en Raoul samen eenige woorden fluisterend gewisseld, en Diane vroeg:
"Maar als zij een Hollandsche of Vlaamsche van

[115:]

geboorte is, hoe erkent zij dan al die vreemde dieren en vruchten?"
"Mevrouw de Gravin," antwoordde de geleerde, "het kleine Holland is, hoe gering ook in omvang op de Europeesche kaarten toch een groote mogendheid door zijn koloniën. Ik ben er zelf niet geweest, maar vele van deze voorwerpen zijn van de Soendaneesche en Moluksche eilanden afkomstig, welke tot den Indischen Archwel behooren."
"En hoe zijn deze in uw handen gekomen?"
"Ik heb ze gekocht van reizigers en zeelieden, die van daar kwamen..."
Hij werd onderbroken door een juichkreet van het. boschmeisje; zij had eenige nootmuskaatvruchten herkend.
"Pala, pala!" riep zij eensklaps duidelijk uit.
"Interessant, hoogst interessant," verklaarde de heer de la Condamine, "inderdaad heet de muskaatnoot in de maleische taal "Pala".
"Zou er niemand zijn, die haar in de taal van die streken kon aanspreken?"
De heer de la Condamine maakte de deur open van de groote zaal, waarin de bezoekers zich tamelijk verveelden en hun ontevredenheid te kennen gaven, omdat de gastheer zich zoo weinig met hen bemoeide en zij zoo goed als niets van het Boschmeisje te zien mochten krijgen; daarvoor waren zij toch gekomen.
Hij scheen echter niets van hun ontstemming te bemerken en vroeg op luiden toon:
"Is er ook onder het geachte gezelschap iemand,

[116:]

die Hollandsch of een der talen van den Indischen Archipel spreekt?"
"Ja, mijnheer, ik ben Hollander en, hoewel nooit in Indië geweest, heb ik toch veel bekenden op Java en ben zelfs verbonden aan de O. I. Compagnie, die op Oost-Indië handel drijft."
Hij, die dit in zuiver, hoewel eenigszins vreemd klinkend Fransch zeide, was een deftig heer van middelbaren leeftijd - een rijke Amsterdammer, vriend van den Hollandschen gezant, die, gedeeltelijk voor zaken, gedeeltelijk voor zijn genoegen, een reis door Europa maakte.
De secretaris van het gezantschap stelde hem aan den gastheer als mijnheer van Oudenaarde voor.
De heer de la Condamine bracht hem dadelijk bij het boschmeisje, dat nog steeds met den paradijsvogel op haar hand vol bewondering voor een schip stond, geheel van kruidnagelen gemaakt.
Toen de geleerde aan den vreemdeling had uitgelegd, wat zijn bedoeling was, sprak hij het kind in het Maleisch aan;
Zij zag hem eerst glimlachend aan en luisterde als niet begrijpend naar zijn woorden, toen kwam er weer hetzelfde licht in haar oogen, als toen zij de vogels en dieren herkende.
Hij noemde eenige namen en zij sprak deze duidelijk na - toen sprak hij den eersten lettergreep uit van de een of andere benaming der vruchten, vogels en specerijen en zij voltooide het woord.
"Geen twijfel aan, zij is uit den Oost-Indischen

[117:]

Archipel afkomstig!" verklaarde de heer de la Condamine verheugd.
"Dat is ten minste een begin van ontdekking," meende Raoul.
Nu begon mijnheer van Oudenaarde het meisje in het Hollandsch aan te spreken.
"Zijt gij een Hollandsch meisje?" vroeg hij.
"Hol - landsch - ja - ja!"
En zij knikte blijde als in plotseling herinneren.
"Waar zijt gij geboren?" vroeg de Hollander.
Dit begreep zij niet.
"Waar zijn uw vader en moeder?"
"Vader, moeder! Vader, moeder! Baboe Samila!" herhaalde zij telkens en toen kwam er een treurige uitdrukking over haar gezicht - zij bracht de hand aan het voorhoofd, toen wees zij naar het schip en maakte een beweging of het heftig heen en weer werd bewogen.
"Zij schijnt een storm te willen nabootsen," zeide Diane.
En zonder dat men er op voorbereid was, sloeg zij toen het mooie schip uit elkander.
De beide dames lieten een gilletje van schrik hooren en snelden op haar toe, om wat er van het eigenaardige voorwerp in handen bleef, te redden.
De heer de la Condamine echter, met alle tact van den waarlijk beschaafden man, stelde zijn gasten gerust.
"Ik heb wel meer voor deze proefneming over," verzekerde hij op hoffelijken toon.
Maar het boschmeisje was zelf geschrikt door

[118:]

haar eigen daad. Zij zag, dat de gravin haar verwijtend en Simone verdrietig aankeek, toen wierp zij een zijdelingschen blik op Raoul, voor wien zij altijd nog min of meer angstig was en zoodra zij bemerkte, dat ook zijn wenkbrauwen gefronst waren, deed zij een droevigen kreet hooren, liet de stukken van het schip en zelfs den paradijsvogel vallen en verschool zich in den hoek, waar zij in snikken uitbarstte.
"Ik geloof," sprak de heer de la Condamine, "dat het voor heden geschikt is de zitting op te heffen, mijn andere gasten worden ongeduldig. Gaarne zal ik een volgenden keer, wanneer hier niet zoo'n toeloop is, het boschmeisje en haar landgenoot - want zoo durven wij mijnheer van Oudenaarde gerust noemen, na hetgene wij hoorden en zagen - hier ontvangen!"
"Het beste zal dan zijn," meende Raoul, die toch reeds min of meer ontstemd was, toen hij het groot getal gasten in de zaal gezien had, "dag en uur geheim te houden van de samenkomst of alleen hen toe te laten, die in staat zijn licht te werpen op het donkere verleden van onze pupil."
"Dat zullen wij afspreken," zei de de heer de la Condamine, "maar nu is het zaak ons vriendinnetje weer in haar humeur te brengen."
"Dat zal niemand beter kunnen dan Simone," lachte Raoul en het meisje ging werkelijk naar den hoek, waar het wilde kind nog altijd verlegen en berouwhebbend stond, sloeg den arm om haar heen,

[119:]

sprak haar bemoedigend toe en beloofde haar vergiffenis.
Het meisje droogde zich de oogen af, begon tegen haar te glimlachen en liet zich door haar meevoeren naar het midden der kamer.
"Mijn vriendinnetje wil mijnheer de la Condamine zeggen, dat het haar erg spijt, zijn mooi schip vernield te hebben -"
"Ja, ja!" bevestigde zij met vuur.
De geleerde streelde haar over de donkere haren en zeide toen vriendelijk:
"En als een bewijs, dat ik u vergeef, moogt gij den paradijsvogel medenemen!"
Nu was al het verdriet voorbij, met een vroolijk gezicht, haar mooien vogel op de hand, ging zij nu tusschen mevrouw d'Armentieres en Simone langs de elkander verdringende gasten, die nu gelegenheid hadden haar nauwkeurig te bekijken en van deze kans ruim gebruik maakten.
"Maar zij is volstrekt niet leelijk!" zeiden er eenigen.
"Niet leelijk? Zeg liever, dat zij er alleraardigst uitziet, zooals zij daar gaat met haar vogel op de hand."
"Zij schijnt ook niets bang voor al die menschen."
"Zij is vervuld van haar vogel."
De kunstenaars maakten een vluchtige schets van haar, die door koper- en houtgravures algemeen verspreid werd.
Het boschmeisje raakte bepaald in de mode; zelfs kappers, die haar nooit gezien hadden, vonden

[120:]

een nieuwe coiffure uit, eenigszins gelijkend op het hoofdtooisel van een Indiaansche en noemden dit "Boschmeisjeskapsel."
Mevrouw d'Armentieres, haar broer en nichtje, maar zeker ook het meisje zelf, waren innig verheugd, toen zij weer in de groote koets zaten en naar het hotel d'Armentieres terugreden.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina